114.
Zoo bidt hij, maar zijn bidden brengt geen baat:
Hoe zou zijn doove waanprofeet hem hooren?
Gelijk een leeuw met eigen klaauw zich slaat,
Ten prikkel voor zijn ingeschapen toren:
Zoo wet hij aan den steen der Min zijn haat,
Terwijl heur gloed te meer zijn wraak doet gloren.
Hij zet zich in den zadel pal, vergaârt
Zijn laatste en grootste kracht en spoort zijn zwaard.