104.
Herminia was mijmrend blijven staan,
In d' aanblik van des Heidens lijk verzonken;
Daar voelt zij zich dien kreet voor 't voorhoofd slaan,
Als hadde op eens een donderknal weêrklonken!
Op Tankreds naam snelt ze als gevleugeld aan,
Verbijsterd, half krankzinnig, zwijmeldronken.
Pas heeft zij 't bleek, beeldschoon gelaat ontwaard,
Daar springt ze, neen! daar stort zij zich van 't paard.