42.
Hij-zelf, hij gordt het machtig zwaard zich aan
En kiest zich een metalen knots tot wapen.
Zóó snijdt hij, als een rots in d' oceaan,
Den toegang af, hoe fel zijn wonden gapen.
Hij slaat den Frank, die d' aanval durft bestaan,
De ribben stuk, of brijzelt hem de slapen,
Tot huivrende angst den moedigste bekruipt
Voor 't ijzer, dat van bloed en harssens druipt.