31.
Zij ziet hem aan met vreugde en smart in de oogen,
Één blik drukt duizend zielsgevoelens uit.
Zij snikt: ‘O gij, zoo gruwzaam mij ontvlogen,
Keert ge eindlijk weêr? Wat heeft uw vlucht gestuit?
Wat brengt u hier? Een teder mededogen?
De liefde tot uw weduwlijke bruid?
Of roept ge op nieuw een zwakke vrouw ten strijde?
Wat wil dat zwaard? Wat wendt ge 't hoofd op zijde?