64.
Wat baten mij mijn tranen? Heeft mijn smart
Geen wapens meer? Hij valt mij toch in handen,
Al zat hij achter 's Hemels poort verspard,
Al sloot de Hel hem in hare ingewanden!
Ik vind hem reeds, ik grijp hem! 'k ruk het hart
Hem uit de borst en scheur het met de tanden.
Hoe wreed hij zij, ik wil zijn wreedheid nog
Beschamen - ach! waarheen? wat raze ik toch?