72.
‘Maar wat zegt gij?’ herneemt de schoone maagd,
En houdt den blik op Tissafern geslagen.
Hij wrokt en spot: ‘Waar Ridder Onvertsaagd
Zóóveel belooft, moet ik mijn vaart vertragen.
Wie zou den man, die zóóveel lauwren draagt,
Ooit anders dan van ver' te volgen wagen?’
En de andre grijnst: ‘“Daar is wèl reden voor,
Dat niemant ooit wedijvert in mijn spoor!”’