8.
Want gij zijt zóó met schande en schuld belaân,
Zoo gantsch bevlekt met zonden als scharlaken,
Dat heel de stroom van Ganges of Jordaan,
Dat heel de zee, u niet meer blank kan maken!
Slechts Gods genâ wischt al uwe euveldaân:
O, rust dan niet vóór gij genâ moogt smaken!
Belijd den Heer uwe ongerechtigheên!
Verzwijg Hem niets! doe boete! bid en ween!’ -