19.
Schoon stromplende en gebogen door de jaren,
Bleef hij getrouw haar volgen op haar schreên;
Dat zwarte kleed verkondt hem wat gevaren
Zij tegensnelt. Daar smelt hij in geween,
En smeekt haar bij zijn vroeg vergrijsde hairen,
Bij 't wee voor haar en in haar dienst geleên,
Om 't leven niet zoo roekeloos te wagen:
Maar hoe hij bidt en smeekt, zij laat hem klagen.