47.
Toch keert hij niet, noch voelt zijn moed ontsteken
Ten nieuwen strijd met de onbekende macht.
Hij snelt, als zijne ontroering is geweken,
Naar Godfried, die met ongeduld hem wacht:
‘Heer,’ vangt hij aan, ‘'k moet wel van dingen spreken,
Die 'k niet geloofde en ongelooflijk dacht.
Al wat men van de afschuwelijke naarheid
Dier monsters en geluiden sprak, is waarheid!