17.
Die Veldheer, van het purperkleed omgeven,
Zoo woest van blik, dien ge aan de spits ziet staan,
Hebbe Arabier en Moorenvolk verdreven,
Ons kunnen al zijn duizenden niet slaan!
Wat nut zal hem zijn moed, zijn wijsheid geven,
Grijpt eens de schrik dat ordloos leger aan?
't Kent hem niet, en hij kent het niet: hen dringen
Noch jonge noch verjaarde erinneringen!