43.
Zij sluipen voort, snel en onafgebroken,
De vlakte door, waar Aarde en Hemel zwijgt;
Den heuvel af, in 't nachtfloers weggedoken,
Tot ginder waar de houten toren stijgt.
Daar doet de grimmigheid hun 't harte koken,
Dat óverstroomt en naar den adem hijgt.
Zij willen bloed zien stroomen, vuur zien gloren....
De schildwacht doet een dondrend: ‘Werda?’ hooren.