12.
Zóó spreekt de grijze Koning, en hij knelt
Het Tweetal aan de borst, van vreugde dronken.
Maar Solyman, wiens hart van ijver zwelt,
Verbergt niet wat begeerten hem ontvonken:
‘Dit slagzwaard ook wil bliksemen in 't veld!
't Is niet bestemd om aan mijn heup te pronken!’
Zoo roept hij, daar Klorinde hem weêrstaat:
‘“Maar wie blijft hier, zoo ge állen medegaat?!”’