80.
De jonge twijg uit Esté wordt geënt
Op d' ouden stam der Guelfen, half aan 't kwijnen.
De stam herleeft, begroet een nieuwe lent',
Werpt scepters af en kroonen van robijnen,
Schiet weeldrig op naar 't blaauwe firmament,
Waar stralende geluksgestarnten schijnen;
En dekt straks met zijn schaduwrijk geblaârt'
Half Duitschland, rond zijn breeden voet vergaârd.