68.
Juist over haar ziet fiere Adrast, en smacht,
En blikt haar aan, schier zonder ademhalen,
Als dronk zijn oog de liefelijke pracht
Dier schoonheid in, gelijk een bloem de stralen.
Maar Tissafern laat de oogen, waar de nacht
Der driften wolkt, van de een naar de ander dwalen,
Daar bleekte en blos, verwisslende op 't gelaat,
Verraden hoe hij blaakt van liefde en haat.