76.
Hij zoekt gestaâg langs duizend wegen rond,
En put zich uit in duizend sluwe treken;
Maar niets van heel dat gruwzaam eedverbond,
't Wanneer, noch Waar, noch Hoe, was hem gebleken -
Toen hij op eens door 't blinde Toeval vond,
Wat al zoolang zijn handgreep was ontweken.
Daar zag hij nu geheel het doodlijk net,
Zoo listig voor zijn Veldheer uitgezet!