67.
Hij zoekt, en vindt Armida, die, omgeven
Van Ridders en Jonkvrouwen, nederzit.
Zij peinst en zucht; zij schijnt door angst gedreven;
Zij hijgt, als door verborgen gloed verhit;
Heur lief gelaat, waarop de blosjens zweven,
Leunt op een hand, gelijk de sneeuw zoo wit.
Hij weet niet of zij weent, maar ziet heur oogen
Als starren met een wazig floers betogen.