24.
't Is mannadaauw wat uit de boomschors vliet,
En honigzeem bedrupt de groene lanen;
En hoor! daar zweeft, daar zwelt op nieuw dat lied,
Zoo weemoedvol en ruischende van tranen.
Maar waar hij vorscht, hij vindt het zangchoor niet,
Dat instemt met den wind, den stroom, de zwanen.
Hij zoekt vergeefs een menschelijk gelaat,
En weet niet waar die harmony ontstaat.