32.
Nu daalde ik neêr en snelde naar u heen,
En koos terstond de welgebaande wegen.
Ik richtte naar een needrig dorp mijn schreên,
Waar ik in stilte uw jonkheid kon verplegen.
Daar toefden wij, tot zestienmaal aanéén
Een nieuwe maan de kimmen had bestegen.
Gij hadt nog pas den kleenen mond gezet
Tot stamelen, en waagde uw eersten tred.