62.
't Is of de vlam den reus door de aadren slaat,
Als hij zijn eigen stem in 't oor hoort dondren.
Op eens schijnt hem het bolwerk waar hij staat,
Te nietig voor een schouwplaats zijner wondren:
Hij ziet omlaag, neemt met één blik de maat,
En werpt zich met één wilden sprong naar ondren.
Daar vult hij nu de muurspleet, en begroet
Dus Solyman, dien hij op 't puin ontmoet: