93.
Vafrijn! gij weet, toen ik met huivrende oogen
Alom den roof, alom den moord zag woên,
Ben 'k tot uw heer en mijnen heer gevlogen,
Op d' eersten klank der vorstlijke klaroen;
Daar smeekte ik, aan zijn voet in 't stof gebogen:
“Roemruchtig Held! wil mij genade doen!
Ik smeek u niet mij 't levenslicht te sparen,
Maar ach, mijne eer! laat mij mijne eer bewaren!”