56.
Dan gaârt hij tot één liefelijken stroom
Zijn waatren saam', die nu in golfjens spelen,
En murmlen door de schaduw, en hun zoom
Aan wederszij' met koele kusjens streelen.
Ze zijn zóó klaar, dat ge op den diepsten boôm
De keitjens ziet, die glinstren als juweelen.
Het weeke dons van 't moschig oeverkruid
Noodt, tooverzoet, tot vriendlijk rusten uit.