8.
‘Geduld, mijn vriend!’ spreekt Hugo: ‘Binnenkort
Kroont u de heerlijkheid der Godgewijden.
Eerst moet er nog veel bloeds en zweets gestort:
Wie Christus' vreugde wenscht, moet met Hem lijden.
Het Heilig Land, dat onder 't juk verdort
Der Heidenen, zult gij van 't juk bevrijden:
Daar sticht en steunt gij straks een Christenthroon:
Daar draagt uws Broeders hoofd de koningskroon!