68.
Zij keert in 't slot, en met een schrikbren kreet
Daagt ze uit de Hel driehonderd gruwelgoden;
Nu eens bedekt een donker nevelkleed
Den hemel, en de zon is weggevloden.
't Gebergte schudt; het joelt door kloof en spleet,
Als rees het schimmenrijk met al zijn dooden;
De gantsche Hel ontroert. Gesis, gesteen,
Gebas, gebrul, krijscht in 't paleis dooréén.