71.
‘Barmhartig God! Wiens goedheid eens van Boven
Den mannadaauw aan 't zwervend Isrêl gaf!
Die Mozes' hand de harde rots deedt kloven,
En 't water deedt ontspringen door zijn staf!
Verstoot ze niet, die in Uw naam gelooven,
Dale uit Uw schoot nog eens dit wonder af!
Wil onze schuld vergeven en vergeten,
En zegen hen, die zich Uw strijders heeten! ...’