35.
Zij zien een reeks van Eilanden verrijzen,
Omringd van lager rotsen: 't zijn de Tien,
Wie de eeuwen van oudsher Gelukkig prijzen:
Daar, heet het, woont de lente om nooit te vliên,
Daar wemelen de schoonste Paradijzen,
Die ooit een oog sints Eden heeft gezien,
Daar ploegt de zon de velden, en daar zwellen
Ook ongesnoeid de zoetste muskadellen.