79.
Zij is gelijk een kranke, die, verrezen
Van 't ziekbed, waar de bleeke plaag haar bond,
Zich-zelf hervindt: haar smarten zijn genezen,
Nieuw levensvuur stroomt door haar leden rond,
Zij voelt zich als in 't vriendelijk Vóórdezen,
Ten dage van heur jonkheids morgenstond:
Zij tooit zich in heur feestgewaad, en mengelt
Een kostbre krans, die ze om heur lokken strengelt.