41.
Als dus de Frank, in rusteloos herhalen,
De vesting beukt, die half omcingeld is,
Spant middlerwijl Klorinde zevenmalen
Den boog, en zevenmalen snort de flits.
En waar ze ook als een bliksem neêr moog' dalen,
't Bloed verft zoowel den veder als de spits,
't Bloed, niet slechts van oneedlen maar van Vorsten:
Haar trots kan niet naar 't alledaagsche dorsten.