30.
'k Beklom een boom, en liet op 't grastapeet
U achter - zóó had mij de schrik bevangen.
Het ondier naakte, en hoorde uw kinderkreet,
En staroogde op uw frissche rozenwangen.
Daar straalde op eens die blik, nog straks zoo wreed,
Vol tederheid en moederlijk verlangen:
Zij buigt het hoofd en lekt u keer op keer;
Gij lacht haar toe, en streelt en kust haar weêr.