10.
't Ging Askalon in de eigen vaart voorbij,
't Ging linksch, naar 't West; en - Gazaas tinnen rezen.
Die koopstad, een der schittrendste in de rij,
Was slechts een arme havenplaats vóórdezen.
Op 't puin van ouder zusters bloeide zij,
Verrijkt, vergroot, door duizenden geprezen.
Thands was heur strand, zoo ver het uitzicht strekt,
Met menschen als met korrels zand bedekt.