44.
En waan ook niet, dat thands voor d' éérsten maal
De gloriezucht mijn boezem heeft ontstoken!
'k Heb lang alreeds met onverbidlijk staal
Den roem uws throons, des Korans eer gewroken.
Misschien wel heeft in meer dan één verhaal
De Faam u van mijn daden reeds gesproken:
Gij weet hoe ik uit Godfrieds Ridderschaar
De besten ving, en ketende aan elkaâr.