75.
Ziet! snelle wolken, door geen zonnestralen
Getrokken uit een dampend golvenbed,
Maar die van uit den hemel-zelven dalen,
Den hemel, die zijn sluizen openzet!
Ziet! plotseling verdonkren lucht en dalen,
Daar ruischt de wind, daar valt een regenspet,
Gevolgd door regenstroomen, regenwellen,
Die beek en bron heur bedding uit doen zwellen.