31.
Al dartelend steekt gij de kleene handen
In d' open muil. Zij laat u stil begaan;
En vriendlijk als een vrouw haar eigen panden,
Reikt ze u de borst: gij neemt die gretig aan.
Ik bleef terwijl met bevende ingewanden
Die wondren uit de verte gadeslaan.
Als ge eindelijk in slaap vielt, moêgezogen,
Verrees uw voedster en verdween uit de oogen.