23.
't Gewijd penseel had op haar kamerwanden
Een beeld gemaald der goddelijke wraak:
Daar knielde een Maagd, geboeid aan beide handen,
Zoo blank als sneeuw, ter zijde van een Draak.
Een Ridder joeg, van heldenmoed aan 't branden,
't Gedrocht zijn speer in de opgesparde kaak. -
Hoe menigmaal, met roodgekreten oogen,
Lag ze in 't gebed voor dit Taafreel gebogen!