48.
Dus Soliman! Hij hoort den krijgsorkaan,
Die de aarde schokt, rinkinken in zijne ooren;
Hij ziet, als zooveel wolken, vaan bij vaan,
En wapenen, als zooveel bliksems, gloren;
En doet zijn volk de schuilplaats binnengaan,
Zelf allerlaatst zich bergend in den toren:
Zelf allerlaatst! ten blijke van een moed,
Die, hooploos, met de wanhoop-zelv' zich voedt!