50.
En mooglijk waar' voor zijn geduchte vuist
Ter zelfder uur de burcht, hoe sterk, bezweken,
Zoodat, ook in zijn steenen krocht gehuisd,
De Saraceen hem vruchtloos ware ontweken;
Maar 't duister daalt, de kille nachtwind suist,
De Veldheer geeft bevel om op te breken.
Hij-zelf zal meê vernachten in de Stad,
En morgen vroeg wordt weêr de storm hervat.