22.
Maar denk ik in, voor wien ik smeek en wien,
O, Reinouts moed en Godfrieds vroomheid geven
Mij hoop. Ik-zelf heb mooglijk bovendien
Niet gantsch onwaard mijn smeekstem opgeheven.
Licht zal ik dan geen wensch verworpen zien,
Dien we állen in den boezem voelen leven.
O roep hem weêr! dat hij met roemrijk bloed,
Voor aller heil geplengd, de misdaad boet'!