23.
Wie toch zal ons de stammen nederrijten
Van 't woud, waarin de ontzetting ommewaart?
Wie zal als hij de duivlen hooren krijten,
Den Dood zien grijnzen, koen en onvervaard?
Hij zal de muren slaan, de poorten splijten,
Voor allen in den bres staan met zijn zwaard.
O, mocht ons heir den Held terug ontfangen -
Hem, aller hoop en aller zielsverlangen!