51.
Gelijk een wolf, na 't misdrijf op zijn hoede,
Met stillen tred de straf te ontsluipen tracht,
Zocht zij bij tijds te ontgaan aan 's vijands woede,
Begunstigd door 't gewoel en 't floers der nacht.
Maar Tankred, die heur veinzerij vermoedde,
Nam, even sluw en zwijgend, haar in acht.
Hij had gezien hoe ze Arimon kastijdde,
En ongemerkt bleef hij haar steeds ter zijde.