11.
En Godfried slaat zijn oogen naar beneden;
Verachtlijk speelt een lachjen om zijn lip:
De waereld met haar zeën, stroomen, steden
En bergen, schijnt niet meerder dan een stip.
Hij weegt verbaasd de menschlijke ijdelheden,
Der menschen waan, die grijpt naar rook en slib,
Door stommen roem, door slaafsche macht geketend,
Den hemel, die ons wenkt en roept, vergetend!