129.
Hij weent, en overstroomt die marmren kaken
En blanke borst, zoo vol van lieflijkheid.
Gelijk de bleeke roos na 't zonneblaken
Herademt, als de daauw haar overspreidt:
Zoo ook heraâmt Armide, bij 't ontwaken
Van tranen nat, maar niet door haar geschreid.
Tot driemaal toe ontsluit en sluit zij de oogen,
Door schaamte en spijt en liefde en haat bewogen.