67.
Zietdaar dan nu het menschlijk medelijden,
De mannentrouw van wie “de Vroome” heet!
Die kindren voor zijn eigen roem laat lijden,
En bij hun leed zijn vaderplicht vergeet!
Die, als wij om één enklen droppel strijden,
Aan 't water des Jordaans zijn goud besteedt,
Om aan zijn disch, waar dartle zwelgers joelen,
De Kreetsche druif met frissche born te koelen!’