139.
Zoo spreekt hij, en nu stormt hij, felverbeten,
Op Godfried los, gelijk een bliksemschicht.
Pas heeft zijn staal des Veldheers schild gespleten,
Daar vlijmt diens zwaard hem dwars door 't aangezicht;
Zijn linkerkaak hangt van elkaâr gereten,
En eer hij zich op nieuw heeft opgericht,
Daar scheurt een tweede houw de buik hem open.
Hij ploft in 't zand: zijn baan is afgeloopen!