38.
De stormwind zwijgt; de ontwolkte hemel blaauwt,
't Keert alles tot zijn waren toestand weder.
Sireenenzang noch angstkreet klinkt door 't woud;
Zacht ritselt de eik, en statig ruischt de ceder.
Onzeker waar 't gebroed zich oponthoudt,
Hakt Reinout soms nog enkle takken neder;
Nu glimlacht hij: ‘O schimmen vol bedrog,
Wat dwaze vrees baart gij den menschen toch!’