61.
Zóó, door het licht der voetlamp half beschenen,
Zweeft op 't tooneel een nymf of waterfee.
Maar deze is schijn, een drogbeeld, ras verdwenen;
Een schepsel van Armidaas tooverbeê.
Toch schijnt zij een dier levende Sirenen,
Bewoneressen der Toskaansche Zee.
Ze is even schoon, en aarde en hemel hangen
In luistrende verrukking aan heur zangen: