9.
't Zijn klanken die de lucht met schrik vervullen:
De flikkerglans van 't starrenheir verschiet,
Het zwerk betrekt, de hemelen omhullen
Het aangezicht, de bleeke maan ontvliedt.
De toovenaar verdubbelt nu zijn brullen:
‘Gij Geesten, die ik opriep! komt gij niet?
Moet dan misschien, verwaten doemelingen!
Nog sterker, nog geheimer ban u dwingen?