47.
Buljon, bespat door 't bloed der moordenaren,
IJlt heen naar 't punt, dat meest zijn bijstand vraagt,
Waar hij een deel van zijn getrouwe scharen
Door Altamoor verward ziet en verjaagd,
Gelijk het Zuid, ten kerker uitgevaren,
't Zand der woestijn al dwarlend henen vaagt.
Hij rent, roept, dreigt, weêrhoudt de vluchtelingen,
En haast zich den Verwoester te bespringen.