18.
Klorinde legt den vederhelm ter zij':
Voor 't prachtgewaad, doorstikt met zijden draden,
Verkiest ze een dosch (o droeve profecy!)
Rouwkleurig, met gepluimt' noch goud beladen.
Zij meent, te recht, die donkere kleedij
Zal 't minst haar komst in 's vijands kamp verraden.
Arzeet-alleen, haar leidsman, dien zij kent
Zoolang haar heugt, de eunuk, is in haar tent.