130.
De veldheer spreekt: ‘Gij toont, gelijk altijd,
Een hoofd, een hart, te recht geroemd door allen.
Ik volg uw raad, en waar ge onzeker zijt,
Beslis ik dús: den vijand aangevallen!
Het leger, reeds tot Heer van 't Oost gewijd,
Verschans' zich niet in muffe vestingwallen!
De Heiden moge ervaren wie wij zijn,
In 't vrije veld, bij vollen zonneschijn!