109.
Der Heidnen arm beweegt zich traag en trager,
Te sneller ijlt hun voet! 't Is ál gevloôn!
Zelfs vlieden nu, als hinden voor den jager,
De onsterflijken, hun trotschen naam ten hoon!
Maar Emireen weêrhoudt den vendeldrager,
En roept hem toe op felverbeten toon:
‘Zijt gij die held, die ééne uit duizend dappren,
Die 's Meesters vaan zoo roemrijk zoudt doen wappren?