12.
Nog straalt omhoog de dichte starrenstoet:
De nanacht schijnt heur afscheid te vertragen;
In 't Oost-alleen verraadt een zachte gloed
Van leliën en rozen 't morgendagen,
Als Reinout naar den groene' Olijfberg spoedt,
Terwijl zijn oog, ten hemel opgeslagen,
De heerlijkheên van nacht en dageraad
In heur vereenden luister gadeslaat.